
Pijn bij de eerste keer komt zelden doordat het zo hoort. Wat vaginisme is, waarom spanning de kern is, en hoe je het rustig en zonder druk aanpakt.

Begrippenlijst
Een woord voor iets waar veel vrouwen jaren mee rondlopen zonder het ooit hardop te zeggen, terwijl de huisartsenrichtlijn er gewoon een route voor heeft.
Vaginisme (Engels: vaginismus) is de aanhoudende moeite om iets in de vagina te brengen, terwijl je dat wel wilt. De huisartsenrichtlijn omschrijft het als “aanhoudende problemen om een penis, vinger, speculum of iets anders in de vagina naar binnen te brengen, ondanks de uitdrukkelijke wens van de vrouw”. De bekkenbodemspieren spannen zich daarbij aan zonder dat je dat stuurt.
| Engelse term | vaginismus. In de DSM-5 valt vaginisme samen met dyspareunie onder genito-pelvic pain/penetration disorder; in de ICD-11 heet het sexual pain-penetration disorder |
| Primair vaginisme | penetratie is nog nooit gelukt, vanaf de eerste poging |
| Secundair vaginisme | het ontstaat later, vaak nadat seks een tijd pijn heeft gedaan |
| Wat er samentrekt | de bekkenbodemspieren, onwillekeurig, ook al wil je het tegendeel |
| Hoe vaak | 5,2 procent van de Nederlandse vrouwen meldt het in vragenlijstonderzoek; de huisarts noteert 0,03 nieuwe gevallen per 1000 patiënten per jaar |
| Waar de richtlijn naar verwijst | huisarts, en van daaruit een seksuoloog of bekkenfysiotherapeut |
Meestal niet als één dramatisch moment, maar als een lijstje dingen die stilletjes niet lukken. De richtlijn noemt in één adem een penis, een vinger, een speculum “of iets anders”, en dat is precies de ervaring: het gaat zelden alleen over seks.
Een vrouw met primair vaginisme heeft vaak nooit een tampon in gekregen. Het uitstrijkje wordt drie keer uitgesteld en dan afgezegd. De eerste keer met een partner strandt bij de ingang, en niet uit onwil, want zij wilde het. Wat ze onthoudt is dat haar lichaam iets deed waar zij niet bij was.
De tweede vorm loopt anders. Er is jaren niets aan de hand, en dan komt er een periode met pijn. Een schimmelinfectie, een bevalling, of een slijmvlies dat na de overgang dunner is geworden. Er wordt doorgegaan, want het zou moeten kunnen. De richtlijn beschrijft dat mechanisme letterlijk: het continueren van coïtus bij pijn kan leiden tot secundair vaginisme. Het lichaam leert dat er iets aankomt dat pijn doet en zet de deur alvast dicht.
Ontspanning komt na opwinding, niet ervoor. Thuisarts.nl zet die volgorde in drie zinnen neer: “Voor vrijen zonder pijn moet je seksueel opgewonden zijn. Opwinding maakt je vagina vochtig. Je bekkenbodem is al ontspannen of ontspant nu.” Slaat die opbouw over, dan schuurt penetratie, en schuren doet pijn.
Daarna gaat het zichzelf voeden. Thuisarts beschrijft de cirkel zo:
Onder die cirkel staat op dezelfde pagina een zin die zelden wordt doorgegeven. “Het betekent niet dat je zin in vrijen ‘kapot’ is. Je kunt nog steeds opgewonden raken, maar het duurt langer.” Dat is geen troostzin. Het is wat de huisartsen erover schrijven.
Het verschil zit in de vraag of het er altijd is geweest. Bij primair vaginisme is penetratie nooit gelukt. Bij secundair vaginisme ging het eerder wel, en is het later ontstaan.
Dat onderscheid is niet academisch, want de richtlijn hangt er twee verschillende routes aan. Bij primair vaginisme wordt verwezen naar een seksuoloog. Bij secundair vaginisme dat vooral het gevolg lijkt van langer bestaande pijn bij het vrijen, is het beleid hetzelfde als bij die pijnklacht zelf, en gaat de aandacht eerst naar de oorzaak daarvan.
De grens tussen de twee is minder scherp dan de woorden suggereren. De standaard zegt er zelf bij dat het onderscheid tussen vaginisme en dyspareunie, de pijn bij het vrijen, “vaak niet of moeilijk te maken” is. Ze lopen in elkaar over. Vaginisme kan pijn geven bij wie toch doorzet, en pijn kan vaginisme veroorzaken bij wie te lang doorzet.
Veel vaker in de vragenlijst dan in de spreekkamer, en dat verschil is het interessantste cijfer op deze pagina.
In een aselecte steekproef onder achtduizend Nederlanders gaf 5,2 procent van de vrouwen aan minstens regelmatig vaginisme te hebben; 4,7 procent had er ook echt last van. Bij dyspareunie was dat 4,9 procent. In totaal had bijna de helft van de vrouwen ten minste één seksuele klacht.
En bij de huisarts? Daar is de incidentie van vaginisme 0,03 per 1000 patiënten per jaar. Reken dat om naar een normpraktijk van 2350 patiënten en je komt uit op ongeveer één nieuwe vrouw per veertien jaar. De hele groep seksuele klachten samen levert die praktijk ruim twee nieuwe patiënten per jaar op.
De standaard benoemt zelf waar dat gat vandaan komt. “De vermoedelijk belangrijkste oorzaak is de drempel die patiënten ervaren om met hun klachten naar de huisarts te gaan. Schaamte (voor de arts, maar mogelijk ook voor de partner) speelt een rol, naast een gebrek aan vertrouwen in een oplossing.”
Breder gemeten: Thuisarts.nl houdt aan dat ongeveer 20 van de 100 vrouwen wel eens pijn heeft bij het vrijen en 5 van de 100 vaak. Onder vrouwen jonger dan 25 is dat laatste getal 11 van de 100.
Het bewijs is dunner dan je zou hopen, en op één punt opvallend sterk.
De Cochrane-review Interventions for vaginismus van Melnik, Hawton en McGuire bekeek vijf onderzoeken, waarvan er vier met in totaal 282 vrouwen bruikbare gegevens leverden. De uitkomst, in hun eigen woorden: “There was not enough evidence to say if systematic desensitisation worked better than another treatment.” Ze voegen eraan toe dat een klinisch relevant effect daarmee niet is uitgesloten, alleen niet aangetoond.
Daarna kwam er Nederlands onderzoek dat wel een duidelijk resultaat gaf. Moniek ter Kuile en collega’s verdeelden in een gerandomiseerde studie uit 2013 zeventig vrouwen met levenslang vaginisme en hun partners door loting over begeleide exposure of een wachtlijst. De behandeling bestond uit maximaal drie sessies van twee uur, binnen één week, in een universitair ziekenhuis, waarbij de vrouw de oefeningen zelf uitvoerde in aanwezigheid van haar partner en een vrouwelijke therapeut. Na afloop meldde 31 van de 35 vrouwen in de behandelgroep gemeenschap te hebben gehad, tegen 4 van de 35 in de controlegroep.
De huisartsenrichtlijn trekt daar deze conclusie uit: er zijn aanwijzingen dat gedragstherapie onder begeleiding van een therapeut werkt, en bij vastgesteld primair vaginisme kan direct worden verwezen voor exposure onder begeleiding van een seksuoloog. Met een kanttekening die de standaard er zelf bij zet en die je vooraf wilt weten: die specifieke behandeling is “(nog) niet op veel plaatsen beschikbaar”. Wat er bij jou passend is, bepaalt je huisarts met je, en niet deze pagina.
Omdat de twee grote classificatiesystemen het begrip allebei hebben verbouwd, elk op hun eigen manier.
De DSM-5 heeft vaginisme en dyspareunie samengevoegd tot één diagnose, genitopelviene pijn- of penetratiestoornis, onder meer omdat ze soms lastig van elkaar te onderscheiden zijn. De ICD-11 van de Wereldgezondheidsorganisatie deed het net anders. Volgens de werkgroep die dat hoofdstuk herzag bestaat daar sexual pain-penetration disorder, dat vaginisme wél omvat, maar dyspareunie en vulvodynie er juist buiten laat en in het hoofdstuk over de urinewegen en geslachtsorganen plaatst.
Op de Nederlandse patiëntenpagina’s zie je het gevolg. Thuisarts.nl heeft een uitgebreide pagina over pijn bij het vrijen, met de bekkenbodem, de angstcirkel en het onderzoek erin, en gebruikt het woord vaginisme er geen enkele keer. De huisartsenrichtlijn houdt het begrip nog wel aan, met het argument dat het beleid verschilt in de gevallen waarin je onderscheid kunt maken.
Kom je bij een arts die het woord niet in de mond neemt, dan zegt dat niets over je klacht. Beschrijf wat er gebeurt, dan komt het gesprek er vanzelf uit.
“Het komt doordat je het eigenlijk niet wilt.” De definitie in de richtlijn bevat letterlijk de woorden “ondanks de uitdrukkelijke wens van de vrouw”. Willen is precies wat er wel is.
“Pijn bij het vrijen hoort er nu eenmaal bij.” Thuisarts.nl schrijft het in twee zinnen weg: “Mensen denken soms dat pijn ‘erbij hoort’. Dat is niet waar.”
“Na een bevalling gaat het over.” Dat staat er niet, en de richtlijn benoemt het misverstand zelfs apart. Vaginisme is geen indicatie voor een keizersnede en verdwijnt niet spontaan door de bevalling. De bevalling zelf kan bij vaginisme gewoon in de eerste lijn begeleid worden.
“Vaginisme is hetzelfde als pijn bij het vrijen.” Ze overlappen sterk en zijn volgens de standaard vaak niet uit elkaar te houden, maar het zijn twee begrippen. De DSM-5 gooide ze op één hoop, de ICD-11 juist niet.
“Als je maar doorzet, went het.” Doorzetten is in de richtlijn geen route naar herstel maar een van de manieren waarop secundair vaginisme ontstaat.
Binnen deze begrippenlijst legt de seksuele responscyclus uit waarom opwinding aan ontspanning voorafgaat en niet andersom, beschrijft dilator het hulpmiddel dat in bekkenbodemtherapie in oplopende maten wordt gebruikt, en gaat overgang over de andere veelvoorkomende reden waarom penetratie pijn gaat doen.
Buiten deze site is Thuisarts.nl over pijn bij vrijen het beste startpunt, omdat het de patiëntenversie is van de richtlijn die je huisarts gebruikt en het onderzoek in de spreekkamer stap voor stap beschrijft. Wie de onderbouwing zelf wil lezen, vindt die in de NHG-Standaard Seksuele klachten. En wie wil weten hoe mager het behandelbewijs internationaal is, leest de Cochrane-review over vaginisme.
Ik behandel geen vaginisme. Dat is geen bescheidenheid, het is de volgorde: pijn bij penetratie hoort eerst bij je huisarts, en van daaruit bij een bekkenfysiotherapeut of een seksuoloog, en een afspraak met mij vervangt daar niets van. Wat een afspraak wél kan zijn, is een avond waarin penetratie niet het doel is en er alle tijd is, en hoe dat eruitziet staat bij intiem samenzijn.
Op deze site staat daarnaast een pagina die de vraag omdraait en beschrijft wat een gigolo naast bekkenbodemfysio en therapie zou kunnen toevoegen, met de afspraken die daarbij horen: een gigolo bij de behandeling van vaginisme. Die pagina neemt een ruimer standpunt in dan deze; lees ze naast elkaar.
richtlijnen.nhg.org blokkeert geautomatiseerde toegang; dit is de integrale publicatie van dezelfde standaard in het wetenschappelijke tijdschrift van het genootschap.Vaginisme gaat over wat er met de bekkenbodem gebeurt; de begrippen hieronder gaan over wat eromheen speelt.
Veelgestelde vragen
Vaginisme is de aanhoudende moeite om iets in de vagina te brengen terwijl je dat wel wilt. De huisartsenrichtlijn omschrijft het als “aanhoudende problemen om een penis, vinger, speculum of iets anders in de vagina naar binnen te brengen, ondanks de uitdrukkelijke wens van de vrouw”. De bekkenbodemspieren trekken daarbij samen zonder dat je dat aanstuurt, en dat gaat vaak ook op voor een tampon of een uitstrijkje.
Bij primair vaginisme is penetratie nooit gelukt, vanaf de eerste poging; bij secundair vaginisme ging het eerder wel en is het later ontstaan. De huisartsenrichtlijn hangt aan dat verschil twee routes: bij primair vaginisme wordt verwezen naar een seksuoloog, bij secundair vaginisme na langer bestaande pijn gaat de aandacht eerst naar die pijnklacht zelf. Doorgaan met seks ondanks pijn is volgens diezelfde richtlijn een van de manieren waarop secundair vaginisme ontstaat.
In een aselecte steekproef onder achtduizend Nederlanders gaf 5,2 procent van de vrouwen aan minstens regelmatig vaginisme te hebben, en 4,7 procent had er ook echt last van. In de spreekkamer ziet het er heel anders uit: de huisarts noteert 0,03 nieuwe gevallen van vaginisme per 1000 patiënten per jaar. De richtlijn wijst voor dat verschil vooral naar de drempel om ermee naar de dokter te gaan, met schaamte als belangrijkste reden.
De huisartsenrichtlijn benoemt uitdrukkelijk dat vaginisme niet spontaan verdwijnt door een bevalling, en dat het ook geen indicatie is voor een keizersnede. Over behandeling is het bewijs mager: de Cochrane-review over vaginisme vond in vier bruikbare onderzoeken met samen 282 vrouwen te weinig bewijs voor een oordeel. Het Nederlandse onderzoek van Ter Kuile uit 2013 liet wel een duidelijk effect zien van begeleide exposure, en dat is waar de richtlijn bij primair vaginisme naar verwijst.
Bij je huisarts, en op Thuisarts.nl, de patiëntenversie van de richtlijn waarop je huisarts zich baseert. Vanaf de huisarts loopt de route naar een seksuoloog of een bekkenfysiotherapeut. Ik ben Victor, gigolo, en ik behandel geen vaginisme; deze pagina legt een begrip uit en is geen medisch advies. Heb je er los daarvan een vraag over, dan kun je die vrijblijvend stellen via contact of eerst gratis chatten.
Blog
Over de cirkel van pijn en spanning, en waarom doorzetten de minst effectieve reactie is.

Pijn bij de eerste keer komt zelden doordat het zo hoort. Wat vaginisme is, waarom spanning de kern is, en hoe je het rustig en zonder druk aanpakt.

Waarom psychologen en seksuologen een gigolo aanbevelen bij vaginisme: veilige begeleiding, geduld en herstel van een pijnvrij, prettig seksleven.
Meer weten
Ik ben Victor, en ik behandel geen vaginisme. Pijn bij penetratie hoort eerst bij je huisarts, en van daaruit bij een bekkenfysiotherapeut of een seksuoloog. Wil je er los daarvan iets over vragen, schrijf dan gerust; er zit geen verplichting aan vast en ik antwoord discreet.
Closing CTA on /term/vaginisme, rendered by GlossaryTerm.astro as the last block
on the page. Names the limit before the invitation, per the owner’s 2026-08-12
decision that the medical pillars name and refer. Pairs with the final FAQ item
05-where-to-get-help-with-vaginismus.md, which sends the reader to the huisarts
and Thuisarts.nl first. No service.md for this term on purpose. This body text is
never rendered.
Ben je een vrouw of koppel? Fijn dat je er bent, ik spreek je graag.